woensdag 6 oktober 2010

Zonnehoed in Athene


We zijn een hele week in Athene, Anton voor een congres, ik als zijn gezelschap. Het is augustus en de zon blakert de straten, de huizen en de mensen. ’s Morgens bezoeken we eerst de bakker op de hoek, kopen een broodje als ontbijt, een croissant met veel chocolade erin, nog nooit zo’n rijkelijk gevulde chocoladecroissant gegeten. Zo vroeg in de ochtend valt het nog wel mee met de hitte en ik heb mijn zonnehoed in het appartement gelaten. Ik wil de Plaka gaan verkennen als Anton naar zijn congres vertrokken is. En ik aarzel of ik dan mijn zonnehoed op zal zetten. Hij hangt thuis altijd voor de sier aan de spiegel en wordt nooit gedragen. Is het niet wat overdreven, zo'n ding op mijn hoofd? Zie ik er dan niet te opvallend uit, overduidelijk een toerist? We staan bij een lange plank naast de winkel ons broodje te eten en drinken er koffie bij. Ook dat is bij die bakker verkrijgbaar. Helemaal voldaan wandelen we door de smalle straten met de ongelijke trottoirs en de kapotte stoepranden terug naar het appartement. Voor ons loopt een oude dame met een boodschappentas. Ze draagt een zwierige zonnehoed. Mooi, ik zet straks ook mijn zonnehoed op. Als iemand uit Athene zo’n ding draagt kan ik het ook wel doen.
Anton vertrekt naar het hotel, waar het congres wordt gehouden en ik maak me klaar voor mijn zwerftocht door de Plaka en verder. Voordat ik wegga kijk ik nog even in de spiegel en knik goedkeurend: helemaal niet gek, die hoed staat best leuk.
Het rode lint kriebelt af en toe in mijn hals als het meegenomen wordt door de warme wind. Ik zie er helemaal uit als een toerist, maar het kan me weinig schelen en ik begrijp zogenaamd niets van wat er tegen me gezegd en geroepen wordt. In de straatjes valt de warmte nog wel mee. Sandalen en kralen vormen de hoofdmoot van wat de winkeltjes te bieden hebben. Dan kom ik terecht in de ruïnes van wat ooit de bibliotheek van Hadrianus was. De zon is ongenadig tussen de pilaren en de overblijfselen van wat ooit muren waren. Schaduw is er niet. Je moet wel iets op je hoofd hebben om een zonnesteek te voorkomen. Gelukkig toeval dat ik die oude dame met haar zonnehoed eerder op de ochtend tegenkwam. Door haar heb ik nu iets op mijn hoofd. Ik dwaal verder, langs kerken, een moskee, tot de warmte te erg wordt. Het is beter terug naar het appartement te gaan. Daar is een airco, daar is afkoeling. Als ik er bijna ben zie ik de oude dame van die ochtend. Ze staat in de schaduw van een overkapping met iemand te praten, maar ik kan niet zien met wie. Een betonnen pilaar houdt voor mij verborgen tegen wie ze het heeft. Ik glimlach om het kittige dametje dat zich kennelijk niet door de hitte tegen laat houden. Haar zonnehoed wiebelt mee op haar hoofd als ze met heftige gebaren haar woorden kracht bijzet. Ik kom dichterbij, loop langs de pilaar en kijk opzij. Een motorfiets, alleen een motorfiets, geen man, geen vrouw, geen kind, alleen een motorfiets. De oude dame staat te redeneren tegen een motorfiets. Geschrokken kijk ik van haar weg, voel het verval van een geest, loop door met in mijn ooghoek het beeld van de gebarende handen, en de zonnehoed.

maandag 16 augustus 2010

Zakmes

Zakmes

Hij is al een paar maanden zijn zakmes kwijt.
‘Afwezig: mouwophouders, zakmes, zakkam…’
Het staat allemaal op een briefje dat op het tafeltje naast hem ligt. En als ik alle rondzwervende papiertjes aan het opruimen ben kom ik er altijd nog een paar tegen met dezelfde tekst. Het zijn geen kostbaarheden. De mouwophouders en de zakkam heb ik weer aangevuld, het zakmes nog niet. Tot een van de verzorgsters me erover aanspreekt.
‘Hij zegt dat hij zijn zakmes kwijt is. Had hij een zakmes?’
‘ Ja, maar hij raakt het steeds kwijt. Ik koop wel weer een nieuw.’
Het rommelwinkeltje dicht bij ons in de buurt ziet me graag komen. De eigenares komt zo mooi van haar voorraadje zakmessen af. Duur zijn ze niet. Voor vijf euro kan ik mijn vader weer een nieuw mes geven. En er staat ook nog een plaatje op.
Hij slaapt als ik bij hem kom. Voorzichtig aai ik hem over zijn hand tot hij wakker wordt.
‘O, dat is een verrassing. Ik kan je niet missen hoor. Jij bent toch mijn vrouw?’
‘Nee, ik ben je dochter.’
‘O,ja. Is ze allang dood?’
‘Ja, vijftien jaar.’
‘Hoe heette ze?’
Ik noem haar naam.
‘Dat weet ik nou toch niet meer. Maar ja, ik ben ook negenentachtig!’
‘Vierennegentig.’
‘Nee, je doet er zomaar vijf bij.’
‘Kijk eens wat ik voor je heb!’
Triomfantelijk houd ik het zakmes voor zijn neus.
‘O, jij bent me toch een meid. Waar heb je die gevonden?’
‘Die is voor jou.’
Gretig pakt hij het zakmes aan, begint eraan te peuteren. Hij krijgt hem tot mijn grote schrik open. Dat is hem bij de vorige messen nooit gelukt
‘Doe maar gauw dicht, dat is veel te gevaarlijk. Stop hem maar in je zak.’
‘Wat ben ik daar blij mee kind.’
Het zakmes verdwijnt in zijn zak.
Er ligt post op het bijzettafeltje naast hem.
‘Heb je post gekregen?’
‘Ja, kijk.’
Hij haalt omzichtig de kaart uit de enveloppe en begint hem te lezen.
‘Gefeliciteerd met uw verhuizing. Fijn dat u nu zo dicht bij uw dochter woont.’
Verbaasd kijkt hij naar me op.
‘Ben ik verhuisd? Daar weet ik niks van.’
‘Je woont nu vlak bij ons. Dat is veel beter.’
‘Woon ik hier al lang?’
‘Drie weken.’
‘Maar het is toch gek dat ik daar niks meer van weet.’
Hij rommelt met de envelop, haalt er een briefje uit.
‘Mouwophouders zoek. Zakmes zoek.’
Verbaasd voelt hij aan de mouwophouders om zijn armen. De zuster heeft ze kennelijk weer gevonden.
‘Maar ik heb toch mouwophouders? Die zijn helemaal niet zoek!’
Hij zwijgt even, lijkt na te denken.
‘Zakmes zoek.’
Hij buigt zich opzij in zijn stoel om zijn hand in zijn broekzak te kunnen steken. Even later begint zijn gezicht te stralen. Het zakmes blinkt in zijn hand.
‘Ik heb een zakmes. Zie je wel. Waarom staat er dan dat het kwijt is?’
Hij stopt het weer in zijn zak.
‘Streep het dan maar door op je briefje.’
Hij grijpt de pen die in de V aan de rand van zijn pullover geklemd zit en zet een kruisje achter het woord mouwophouders en een kruisje achter het woord zakmes. Dan legt hij het papiertje weer naast zich neer.
‘Heb je een goede reis gehad?’
‘Ja, hoor, ik ben met de fiets.’
‘Met de fiets!?’
‘Ja, het is heel dichtbij.’
Hij haalt zijn schouders op.
‘Daar snap ik niks van.’
Het onderwerp wordt niet verder uitgekauwd omdat zijn oog op het papiertje valt. Hij pakt het op, begint te lezen.
‘Mouwophouders zoek.’
Zijn vrije hand pakt de mouwophouder om zijn arm.
‘Ik heb toch mouwophouders? Zakmes zoek.’
Weer een greep in zijn broekzak. Het mes komt te voorschijn.
‘Ik heb toch een zakmes?’
‘Ja, gooi het briefje maar weg.’
Ik pak het van hem aan en gooi het in de prullenmand.
‘Kom, we gaan nog even wandelen. Het is heerlijk weer buiten. Hier is je rollator.’
‘Ik gebruik nooit zo’n ding!’
‘Doe het toch maar. Dat loopt veel gemakkelijker.’
Gewillig laat hij zich meenemen.

woensdag 28 juli 2010

Vergeten leven

Het was warm, al dagen. De thee die we dronken was ook warm. Papa leek er geen last van te hebben. Oude mensen hebben het altijd koud. Ik keek Anton aan: niet de hele middag in die kleine kamer alsjeblieft, niet met dit weer.
'Kom, we gaan even naar buiten.'
Hij schuifelde achter zijn rollator naar de gang, en verder, naar de uitgang waar Anton snel de code intoetste om de klapdeuren te openen. Op de binnenplaats zochten we onze weg over tuinslangen en langs bloemperken naar een paar stoelen in de schaduw van een parasol. Om wat te doen te hebben rommelden we wat met het fototoestel, maakten een paar foto's van hem, van elkaar.
'Het duurt lang voordat er iemand komt,' zei hij enigszins geërgerd.
We keken elkaar aan: hij denkt dat hij op het terras van een restaurant zit.
'Heb je zin in een ijsje?'
Ik sprong op. Lumineus idee! Natuurlijk had hij zin in een ijsje. Maar hadden ze die in het restaurant van het tehuis? Ja, en wat voor ijsjes! Met drie magnums keerde ik terug bij de parasol. Ik scheurde het papier los, vouwde het om, gaf het stokje aan de oude baas. De maandenlang niet gebruikte papieren zakdoekjes uit mijn handtas werden stuk voor stuk een kleverig propje. Maar hij genoot. Ik zat het ijstafereel tevreden aan te kijken, tot ik ogen op me gericht voelde, me ongemakkelijk begon te voelen. Het was mevrouw V., de vrouw die papa altijd volledig in beslag nam, de vrouw die verliefd op hem was, als je dat tenminste zo noemen mag als je zo oud bent en van voren niet weet dat je van achter leeft. Ze zwaaide, maar ik deed of ik het niet zag. Papa had vanzelfsprekend helemaal niets gezien. Hij was druk met zijn lekkende ijsje.
Ik haalde mijn zonnebril uit mijn tas, verstopte mijn ogen achter de donkere schijven.
'Gaan we terug? Hij moet zijn handen wassen.'
We hesen hem overeind, zetten hem weer achter de rollator.Hij wachtte even, keek op naar de ramen van het tehuis.
'Wat een mooi hotel, en wat groot!'
We lieten het zo, waren druk hem veilig over en om de tuinslangen heen te laveren. Weer in zijn kamer keek hij verward om zich heen.
'Woon ik hier? Ik herken er helemaal niets van. O.ja, mijn stoel. Enne...die portretjes herken ik ook.'
Hij ging zitten.
'Heb ik hier al eens geslapen?'
We knikten. Hij haalde zijn schouders op.
De rest van de middag beantwoordden we zijn eindeloze vragen, steeds opnieuw dezelfde, tot het tijd was om weg te gaan, tijd om aan de lange reis terug te beginnen.
'Hij weet niet waar hij is, dan kan hij net zo goed bij ons in de buurt in een tehuis wonen.' Ik keek Anton van opzij aan om te zien of hij het met me eens was. Hij knikte.
'Weet je nog wat Michelle afgelopen winter zei? Hoe lang denken jullie dit vol te houden, zei ze. Ze heeft gelijk. Ik heb er vaak aan moeten denken. Ze heeft echt gelijk.'
We pakten door. Internetsites, informatie van derden. We kwamen uit bij een tehuis op vijf minuten rijden van ons vandaan, met de fiets een kwartiertje. Toch even de twijfel voordat ik de telefoon greep. Was het een goede beslissing om de oude baas naar onze omgeving te halen? Ik dacht aan de lange reizen, met de auto of met de trein, elke twee of drie weken, in kou, hitte, storm, regen, sneeuw. Ja, het moest. Wie weet hoe lang het zou duren voordat er een plaatsje voor hem vrij was.

Zo begon het, een gesprek met de maatschappelijk werkster van het zorgcentrum, telefoontjes over en weer.
Een vriendin die zei:' En geef nou niet jezelf de schuld als hij over twee of drie weken dood is.' Schrik, twijfel. Ik legde de opmerking naast me neer. Toch maar doorzetten.
Binnen een week wisten we dat papa welkom was. Kwam het door de uitzonderlijke situatie? Een verhuizing van het ene naar het ander zorgcentrum komt zelden voor. Het doet er allemaal niet toe. Drie weken later vertelden we hem dat hij de volgende dag ging verhuizen, dat hij dicht bij ons zou komen te wonen.
' Als jullie vinden dat dat beter is dan moet dat maar.'
Het leek of hij alles begreep. Dat was voor dat moment prettig. de volgende dag zouden we wel weer zien.

Met drie auto's waren we. Die van onszelf, een geleende van Mieke en die van Marius en Michelle. Papa zat in de huiskamer toen we kwamen. We hebben ons niet laten zien, werkten door tot de auto's vol zaten. Ongelooflijk wat er uit zo'n klein kamertje komt. En dan hadden de mannen ook nog het een en ander naar de vuilstort gebracht.
Papa was blij als altijd toen hij ons zag.
'Wat een verrassing.'
Ik nam hem bij de arm, wilde hem meenemen, maar er waren afscheidcadeautjes: een zonnige ingelijste foto van hemzelf op de binnenplaats, en van elke bewoner een roos met een kaartje waarop ieder zo goed mogelijk zijn of haar naam geschreven had.
'Ik ben toch niet jarig? Is dat allemaal voor mij?'
'U gaat verhuizen!'
'Verhuizen? Ik?'
Hij haalde zijn schouders op, keek me vragend aan.
'Ja. Je komt dichtbij ons te wonen.'
'Ik begrijp er niks van.'
Mevrouw V was opgestaan, kwam dichtbij hem. Ik drong aan, wilde geen kleffe toestanden: 'Kom maar mee.'
'Wat gaan we doen?'
'We gaan naar de auto.'
Het lukte. Er werd gezwaaid. Hij zag het niet meer.

'Nou nou, wat een grote vrachtwagen!'
'Wat een mooie bomen!'
'Waar gaan we eigenlijk naar toe?'
'Je gaat verhuizen!'
Hij hoorde niet wat ik zei, begreep me niet, haalde zijn schouders op.
'Ligt mijn jas in de kofferbak?'
Ik knikte, wat een vertrouwen. Even twijfelde ik. Hij was zo hulpeloos. Was het echt wel goed wat ik deed? In gedachten hoorde ik de woorden van Anton:'Denk nu ook eens aan jezelf. Het is veel gemakkelijker hem dicht in de buurt te hebben. Geen eindeloze reizen meer elke twee of drie weken, of vaker als het niet goed met hem gaat.'
Het was erg druk op de weg. De eindeloze reeks vrachtwagens verdreef mijn twijfel. Dit hoefde voortaan niet meer.

'Wat een mooie kamer!'
'Kijk, je nieuwe stoel. We hebben een nieuwe stoel voor je gekocht.'
Hij ging zitten, een glimlach om zijn mond. Zijn ogen gleden van de een naar de ander. Steeds op nieuw kwam er iemand met iets aanlopen. Het werd gezellig in de kamer.
'Heb je gezien wat daar staat?'
Ik wees naar zijn bureau. Vlak voor de verhuizing hadden we zijn oude bureau, dat al die jaren bij ons had gestaan omdat er geen plaats voor was in het verzorgingshuis in zijn nieuwe kamer gezet. Het was het bureau waar hij zo veel jaren aan gewerkt had, het bureau dat hij meer dan vier jaar niet meer gezien had. Zijn oude bureaustoel stond ervoor, weliswaar met een nieuw kussentje.
'Ja, dat is mijn bureau.'
Hij zei het alsof hij zeggen wou:' Wat een rare vraag. Dat is toch gewoon mijn bureau.'
Een broeder kwam hem ophalen om te gaan eten in de huiskamer.
'U bent schoolmeester hoorde ik.'
'Weet je dat nou ook al?'
Gedwee liep hij mee.
'Tot morgen papa.'
Hij keek op.
'Tot morgen?'
'Ja, morgen kom ik weer.'
'Dat is goed kind.'

'Waar ben ik nu?'
'Vlak bij waar wij wonen. Je bent verhuisd.'
'Verhuisd? Ik? Daar weet ik niks van. Wanneer dan?'
'Gisteren. We hebben gisteren heel ver gereden en al je spullen meegenomen.'
'Daar weet ik niks van.'
Hij wreef over zijn voorhoofd. Vergeten, alles was vergeten, hij vergat zijn hele leven.
'Dan zit het hier toch niet helemaal goed.'
'Geeft niet. Je woont nu dicht bij ons.'
'

maandag 5 juli 2010

Groene schoenen


Daar staat hij dan, Marius, een hoofd met donkere, wilde krullen, rommelig openstaand overhemd, spijkerbroek en groene schoenen. Die schoenen doen het 'm, samen met zijn krullen. Die twee uitersten maken hem tot een artistieke verschijning. Geflankeerd door twee docenten van de Kunstacademie hoort hij met een glimlach aan wat de directeur over hem te zeggen heeft. Hij heeft het over doorzettingsvermogen en nog andere dingen die ik niet onthoud. Ik zie alleen dit kind, deze grote zoon, die volbracht heeft wat we niet voor mogelijk hielden toen hij met deze opleiding begon. Interieurarchitectuur, opleiding in de avonduren aan de Kunstacademie. En overdag werken. Vijf jaar geleden begon hij ermee. Negenentwintig jaar was hij. 'Als ik nog iets wil, moet ik het nu doen.' En hij hield vol, is na vijf jaar als enige over van de groep van zestien met wie hij de opleiding begon. Vijf jaar geleden liet hij zijn krullen altijd wegknippen door de kapper. In het vierde studiejaar ontmoette hij Michelle en sindsdien laat hij de krullen dansen.
Nu neemt hij voor het eerst persoonlijk een diploma in ontvangst. Eerdere diploma-uitreikingen liet hij aan zich voorbijgaan. Die vond hij niet belangrijk genoeg. 'Ze sturen dat papier maar op,' zei hij vastbesloten en ging met zijn vader mee naar Japan in plaats van naar de diploma-uitreiking van de middelbare school. Zo'n kans liet hij niet lopen. Ook het einddiploma van de horeca-opleiding liet hij opsturen. Hij werkte al in Londen
Deze keer is alles anders. Dit diploma wilde hij wel zelf in ontvangst nemen. Hij heeft er keihard voor gewerkt, is er helemaal in opgegaan. Het was ook een confronterende opleiding. Hij was al te veel opgeslokt door de burgermaatschappij vond men. Dat burgerlijke moest hij afleggen. Hij moest zichzelf ontdekken, moest laten zien wie de enige, echte Marius is. Het heeft hem veel strijd gekost, maar hij zette door. Hij werkte keihard, de laatste twee jaar aangemoedigd door Michelle.
Vertederd zie ik zijn krullen om zijn hoofd dansen, zie hem zijn handtekening op het diploma plaatsen, zie hem de hand schudden van zijn docenten.
Driejarige Luc, zoontje van een goede vriend, rent naar hem toe. Hij neemt het kind bij de hand en samen stappen ze het podium af. Zelfbewust komt hij aanlopen door het gangpad.
Als ik mijn armen om hem heen sla om hem te feliciteren zie ik zijn stralende ogen. Het is hem gelukt. Hij kan het zelf nauwelijks geloven, kijkt naar het diploma in zijn hand of het toch echt wel waar is. Het is waar.

maandag 28 juni 2010

You never get lost in Italy


We wilden in mei naar Italië, ergens diep in het zuiden van Toscane. Vrienden vroegen ons samen met hen te gaan. Zij konden goedkoop een appartement regelen, een voor hen en een voor ons. We vlogen met dezelfde vlucht vanaf Düsseldorf-Weeze, de zondagse avondvlucht van half zeven naar Bologna. Wel wat laat, maar voor een redelijke prijs neem je dat nadeel op de koop toe.
Het was nog licht toen het vliegtuig landde. De koffers kwamen redelijk snel. Het ophalen van de huurauto nam wat meer tijd in beslag. Een uur later reden we in een Fiat Punto, met de tomtom in de aanslag de donkere Italiaanse snelweg op. Voor ons reed de rode Fiat Cubo van onze vrienden, maar we verloren het ding al snel uit het oog. Hij ging er als een speer vandoor.
Meer dan tweehonderd kilometer was het naar het appartement. We hadden geen straatnaam, alleen een vaag kaartje dat op de website van het Agriturismo stond. In Piombaia moesten we zijn, ergens buiten Montalcino; in Montalcino moest je richting Grosseto en als je bij de rotonde was was je er bijna. Dat was alles.
De zwarte Fiat Punto danste bocht na bocht, tunnel na tunnel over de weg. We wisten dat de weg tussen Florence en Siena veel bochten kent, maar waren het er werkelijk zoveel? We wisten ook dat we bij Siena goed op moesten letten of we de goede weg wel namen, maar ach, we hadden de tomtom bij ons. Het zou wel goed komen. Aan de kant van de weg verschenen borden naar Grosseto, nergens borden naar Montalcino. De hobbelige, bochtige weg veranderde in een prachtige snelweg. Fantastisch; die was er vroeger niet.
‘Over vijfhonderd meter linksaf slaan.’
We tuurden het duister in, zagen nergens een afrit.
‘Herberekenen. Herberekenen.’
Twijfel. Dat bord: ‘San Amiato.’ Was dat niet ergens in de buurt van het appartement? We waren er al voorbij, raasden door in het donker tot de snelweg ophield en we plotseling weer de kuilen in de weg voelden. Onbekende namen wezen naar allerlei richtingen. De enige bekende naam was Grosseto. Die dan maar. Maar het akelige gevoel bleef knagen: ‘Is dit wel goed? We rijden de verkeerde kant op.’ Een paar minuten later durfden we elkaar te bekennen dat we het niet meer wisten. We wisten alleen dat we te ver doorgereden waren, dat we terug moesten.
We namen de eerstvolgende afslag. Anton stopte in de buurt van benzinestation. Misschien was daar iemand.
‘Daar ga ik het vragen.’
‘Haal ook even de kaart uit de koffer.’
Ik keek hoe laat het was. Half een.
Anton liep verloren heen en weer op zoek naar een levend wezen. Er was niemand te zien. In de verte zagen we koplampen onze kant op komen. Even later stond het benzinestation in het volle licht. De auto kwam voor een van de pompen tot stilstand.
Zo gauw de bestuurder uit zijn auto was begon Anton tegen hem te gebaren. Hij wees in de richting van het duister voor ons. Ze lachten, zwaaiden nog even naar elkaar.
Anton haastte zich de auto in.
‘You never get lost in Italy! Die kant op.’
‘Wat zei je?’
‘Dat zei die man. Hij sprak heel goed engels. You never get lost in Italy because you already are in Italy. Maar intussen zijn we wel veel te ver doorgereden.’
De kaart gaf aan dat hij gelijk had. Maar we zouden er nu wel snel zijn. We reden wat harder dan was toegestaan, maar er was toch nauwelijks verkeer op de weg. Het deerde me niet, tot ik schrok van een lichtflits.
‘Is dat onweer?’
‘Dat eh...denk ik niet. Die auto achter ons stond ineens op de rem.’
‘O....eh....hoe hard reed je?’
‘Tsja…eh… zeker twintig kilometer te hard.’
‘Nou ja, we zitten in ieder geval op de goede weg.’
‘Denk je? Ik twijfel nog steeds’
‘Ja, dat denk ik. Kijk, daar staat een bord Montalcino.’
‘Ik zal onze vriendjes maar eens bellen. Ze weten niet waar we blijven.’
Verbinding met de voicemail die al snel verbroken werd. Daarna toch contact.
‘Wij waren ook even verkeerd gereden hoor.’
Een kleine troost dat we niet de enigen waren.
‘Daar! Daar staat Piombaia! Dat klopt! Het is een paar kilometer van Montalcino vandaan.’
Met een gevoel of we bijna thuis waren gehoorzaamden we het bord en draaiden de zandweg in. Het duurde lang voor we weer iets zagen dat op de bewoonde wereld leek. Na zo'n vijfhonderd meter verder werd het pad versperd door een hoog hek, dat een gigantisch huis beschermde tegen indringers. Het was een wijngoed volgens het informatiebord dat tegen het hek aan hing. Waar waren de appartementen dan?
‘Misschien aan de achterkant?’
We zagen een smal pad dat langs het hek omlaag leidde, dwars door dicht op elkaar staande bomen. Dan daar maar heen. Misschien kwamen we zo aan de achterkant. Maar het pad werd steeds smaller. De bomen links en rechts van ons raakten elkaar boven onze hoofden.
‘Dit kan niet goed zijn. Ik ga keren.’
Nee, dit kon niet goed zijn. Het autootje hobbelde een paar keer vooruit en achteruit, schampte bijna een paar bomen die aan de rand van een helling stonden en reed schuddend terug naar de weg.
‘Dit vind ik niet leuk meer.’
Hij zei wat ik dacht.
‘Richting Montalcino dan maar.’
Montalcino was duister. Je zou het heel mooi op de heuvels moeten kunnen zien liggen als je aan kwam rijden, maar dat interesseerde ons niet meer.
‘Kijk, dat moet de rotonde zijn waar ze het over hadden! Dat stond getekend op het kaartje van de website van Piombaia. We moeten toch op de goede weg zitten.’
We reden om het malle standbeeld heen dat precies in het midden van de kruising stond. Wat hebben die Italianen vreemde opvattingen van rotondes. Dezelfde weg terug dan maar en nog eens goed opletten. Maar we zagen geen Piombaia, alleen het verkeerde Piombaia. Ten einde raad probeerde ik nog een keer telefonisch contact te krijgen met de vrienden.
‘Ik ga bij de rotonde staan,’zei de vriend.
We keerden opnieuw, reden de weg terug naar de rotonde. De koplampen van de rode Fiat Cubo verwelkomden ons. We knipperden met de lichten, rondden opnieuw het standbeeld, één keer, twee keer, tot de Cubo begon te rijden en tot onze stomme verbazing een andere weg insloeg. Heel even zag ik nog het bord: S.Amiato. Dus toch! Deze weg liep pal achter de weg die wij gevolgd hadden, maar er waren geen dwarsverbindingen.
Een bord: ‘Piombaia Agriturismo.’
Het was één uur in de nacht.
Vittorio stond klaar met de sleutel van ons appartement en was zo vriendelijk de koffers naar binnen te sjouwen. Of was het Andrea Bocelli?
You never get lost in Italy.

zondag 27 juni 2010

Leesclub

Ruim een jaar geleden werd ik met enige aarzeling lid van een leesclub. Zou ik me niet te veel binden? Ik was juist zo blij helemaal ongebonden te zijn.
De deelnemers kenden elkaar niet of nauwelijks. Een schuchtere verkenning wie wie was gaf die eerste keer nog niet zo heel veel helderheid. Ik besloot het erop te wagen.
De bijeenkomsten waren plezierig, verfrissend. Er kwam veel buitenlandse literatuur op tafel: Laxness, Nabokov, Julia Franck, Julie Zeh. Als Neerlandica had ik me steeds verre gehouden van al wat buitenlands was. Nu ging een wereldzee van boeken voor me open. Alleen als ik zelf aan de beurt was stelde ik om de balans nog enigszins in evenwicht te houden voor een Nederlands boek onder de loep te nemen. Ik heb nog nooit zoveel gelezen als de afgelopen anderhalf jaar, behalve dan in mijn studietijd.

Het was bijna zomer.De laatste keer voor de zomervakantie moest een bijzondere bijeenkomst zijn. Er werd een voorstel op tafel gelegd: ' Iedereen kiest twee gedichten uit en neemt een paar hapjes mee. En dan beginnen we om zes uur in plaats van om half acht.'
Er werd nog even geprotesteerd: ' Ik heb helemaal niks met gedichten.'
'Moeilijk hoor,' zei een ander. Maar het ging door. De locatie? De beurt was aan mij.
Eind juni, prachtig weer. We konden buiten zitten. Anton verdween met een hapje van de vorige dag naar zijn muziekkamer.
Er kwamen allerlei lekkernijen op tafel, nu de gedichten nog. Wie vatte moed om te beginnen? Gedichten lezen is toch echt iets heel anders dan een boek bespreken. Een door jou uitgekozen gedicht heeft ook iets van jouzelf in zich. Je geeft jezelf in zekere zin enigszins prijs. Dichtregels kunnen emoties oproepen, emoties waar je niet op voorbereid bent, emoties die van het ene op het andere moment naar boven komen.
Het eerste gedicht was meteen raak: een zelfgemaakt gedicht, en nog een. De barriere was verdwenen. Een paar anderen volgden met gedichten uit bekende bundels, maar voegden daar ook een zelfgemaakt gedicht aan toe. De verrassing was groot. Niemand wist van elkaar dat men ook zelf wel eens een poging deed deed tot dichten. Het leidde tot ontboezemingen, vertrouwelijkheden zoals we die tot nu toe niet gekend hadden binnen de groep. Ik voelde dat ik in deze sfeer zelf ook mijn gedicht naar voren kon brengen al was ik het niet van plan geweest. Het paste bij alles wat besproken werd, over een jaar waarschijnlijk niet meer. Ik heb niet veel zelfgeschreven gedichten, hou me meer bezig met proza. Mijn gedicht is voortgekomen uit een opdracht bij een schrijfcursus, die ik twee jaar geleden volgde. ' Schrijf een gedicht waarin je producten uit de supermarkt verwerkt.'
Het gedicht staat in een mooi cahier, ooit gekregen van Marius; zo een met blanco bladzijden, een boekje om te koesteren, een boekje waarin je zo netjes mogelijk wilt schrijven, waarin je geen fouten wilt maken, waarin je niet wilt krassen.
Ik haalde het op uit mijn kamer en las het voor. En terwijl ik las wist ik:'De tijd is verder gegaan. Alles is nu anders. Als ik nu die opdracht zou krijgen zou er iets heel anders op papier komen te staan. Tijd heelt niet alle wonden, maar tijd dekt ze wel toe. Mijn gedicht kan de wereld in.


Dochter van mij

Bakken vol kleuren
die je kunt eten.
Al dagen geen honger
Een lijst boodschappen
Voor mezelf en voor haar
Sla dan maar.

Een krop at hij alleen
Dat was
Voordat hij......
Ze houdt van vis,
Hij at alleen wat in de wei gelopen had.
Zalm dan maar.

Bier, dat was toen.
Thee, en veel koffie.
Eindeloze rij
Ze komen voor hem
Maar vinden hem niet meer.
Koffie dan maar.

Blijf scherp! Een kreet.
Daar koop je wat voor!
Wat kan het schelen,
Alleen is alleen.
Als ik weer weg ben,
Bami dan maar.

Vakantietip! Briketten.
Golden Flame!
Voorlopig niet.
Het vuur is dood.
Haar leven dof,
Sapje dan maar.

IJskoud de goedkoopste!
Alles is koud,
Bevroren van binnen,
Niet warm te krijgen.
Hoe te ontdooien?
Soepje dan maar.

donderdag 6 mei 2010

Kind

Ze had het een hele tijd geleden al verteld, ze zou naar Castenray. Daar was een samengestelde wedstrijd: dressuur, springen en cross. Waarom daarheen? Waar lag dat? Limburg? Zo ver? Niets voor haar. Ze moest heel vroeg weg, te vroeg voor ons. Max ging met haar mee.
Jarenlang hield ze zich voornamelijk bezig met dressuur. Mooi veilig. Sinds een jaar houdt ze zich vaker met gevaarlijker onderdelen van de paardensport bezig. Springen over hindernissen en crossen door bossen en landerijen, over boomstammen en waterplassen. Niet bepaald een sport waar je als moeder rustig bij blijft.
Om zes uur waren ze vertrokken, want het was twee uur rijden. We vonden op de website van het paardengebeuren hoe laat ze aan de beurt was voor de verschillende onderdelen. Lange lijsten met namen. Het lijkt wel of heel Nederland paard rijdt. Ik smste: ‘Veel succes!’
Het bleef stil. Nog maar even wachten dan maar. Misschien was het programma veranderd? Opkomende ongerustheid. Zee moest nu toch klaar zijn met alles? Was alles wel goed?
Ik waagde een sms:’Hoe is het gegaan?’
Gelukkig, antwoord: ‘Geen idee. Eerste na dressuur. Ging super. Een weigering en twee balken met springen. Foutloos cross. Wel tijdfouten. Bijna op de kop eraf. Dus toen maar iets rustiger aan gedaan.. Nu schuilen in de tent. Het stort hier.’
Opgelucht mijn antwoord:‘Wat een waaghals ben jij. Van wie heb je dat?’
Geen reactie.
Dan, eindelijk, weer een sms: ‘Vierde!’
Heel mooi. Al was ze laatste, ze had alles zonder kleerscheuren of erger doorstaan. Op de terugweg vertelde ze vanuit de auto hoe het allemaal geweest was. Haar vrolijke stem, zo heerlijk om naar te luisteren. Daar dompel ik mezelf in onder zonder te weten wat ze allemaal zegt.
‘Rijdt Max nu of jij?’
‘Nee, ik.’
Een paar uur later de volgende sms: ’Weer veilig thuis!’
Rust tot de volgende wedstrijd.